1. Een bord vol spaghetti en daar bovenop,
een grote gehaktbal, dat was me een strop.
Want toen ik moest niezen, voor ik hem verslond,
vloog hij door de lucht heen, pardoes op de grond.
Hij rolde steeds verder, de vloer die liep schuin,
hij rolde de gang door, pardoes in de tuin.
Ik kroop op mijn knieën door struik en door gras,
ik kon hem niet vinden, 'k wist niet waar ie was.
Maar zeven jaar later, staat er in die tuin,
een grote gehaktboom met een bal in zijn kruin.
Dus eet je spaghetti en wil je geen last,
houd dan je gehaktbal, maar stevig vast.
1. Thuis heb ik nog een ansichtkaart,
waarop 'n kerk, een kar met paard,
een slagerij J. van der Ven, 'n kroeg,
'n juffrouw op de fiets,
het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets,
maar 't is waar ik geboren ben.
Dit dorp, ik weet nog hoe het was,
de boerenkind'ren in de klas,
'n kar die ratelt op de keien.
Het raadhuis met een pomp ervoor,
een zandweg tussen koren door,
het vee, de boerderijen -
en langs het tuinpad van m'n vader
zag ik die hoge bomen staan.
Ik was een kind en wist niet beter,
dan dat 't nooit voorbij zou gaan.
2. Wat leefden ze eenvoudig toen
in simpele huizen tussen groen
met boeren, bloemen en een heg.
Maar blijkbaar leefden ze verkeerd,
het dorp is gemoderniseerd
en nu zijn ze op de goeie weg.
Want zie hoe rijk het leven is:
Ze zien de televisiekwis,
en wonen in betonnen dozen.
Met flink veel glas, dat kun je zien,
hoe of het bankstel staat bij Mien
en d'r dressoir met plastic rozen.
En langs het tuinpad van m'n vader
zag ik die hoge bomen staan.
Ik was een kind en wist niet beter,
dan dat 't nooit voorbij zou gaan.
3. De dorpsjeugd klit wat bij elkaar
in minirok en beatlehaar
en joelt wat mee met beatmuziek.
Ik weet wel, 't is hun goede recht
de nieuwe tijd, net wat u zegt,
maar 't maakt me wat melancholiek.
Ik heb hun vaders nog gekend,
ze kochten zoethout voor een cent,
ik zag hun moeders touwtje springen,
dat dorp van toen het is voorbij
dat is al wat er bleef voor mij
een ansicht en herinneringen.
Toen ik langs het tuinpad van m'n vader
de hoge bomen nog zag staan,
ik was een kind, hoe kon ik weten,
dat dat voorgoed voorbij zou gaan.
Je vraagt of ik zin heb in een sigaret
Twee uur 's nachts, we liggen op bed
In een hotel in een stad
Waar niemand ons hoort
Waar niemand ons kent
En niemand ons stoort
Op de vloer ligt een lege fles wijn
En kledingstukken die van jou of mij kunnen zijn
Een schemering de radio zacht
En deze nacht heeft alles
Wat ik van een nacht verwacht
Het is een nacht
Die je normaal alleen in films ziet
Het is een nacht
Die wordt bezongen in het mooiste lied
Het is een nacht waarvan ik dacht
Dat ik hem nooit beleven zou
Maar vannacht beleef ik hem met jou, ohoh
Ik ben nog wakker en ik staar naar het plafond
En ik denk aan de dag
Lang geleden begon
Het zomaar er vandoor gaan met jou
Niet wetend waar de reis eindigen zou
Nu lig ik hier in een wildvreemde stad
En heb net de nacht van mijn leven gehad
Maar helaas er komt weer licht door de ramen
Hoewel voor ons de wereld,
Vannacht heeft stil gestaan
Het is een nacht
Die je normaal alleen in films ziet
Het is een nacht
Die wordt bezongen in het mooiste lied
Het is een nacht waarvan ik dacht
Dat ik hem nooit beleven zou
Maar vannacht beleef ik hem met jou, ohoh
Maar een lied blijft slechts bij woorden
Een film is in scène gezet
Maar deze nacht met jou
Is levensecht
Het is een nacht
Die je normaal alleen in films ziet
Het is een nacht
Die wordt bezongen in het mooiste lied
Het is een nacht waarvan ik dacht
Dat ik hem nooit beleven zou
Maar vannacht beleef ik hem met jou, ohoh
Ja vannacht beleef ik hem met jou, ohoh
En ik hou alleen nog maar van jou, ohoh
En ik hou alleen nog maar van jou
1. D'r was er eens een heel klein (2 x)
Dat nooit op zee-zee-zee gevaren had (2 x)
O, wat een pech was dat!
2. Toen hij ging verre reizen maken (2 x)
Al over de gro-gro-grote oceaan (2 x)
Dat kwam hem duur te staan!
3. Want na verloop van vijf, zes dagen, (2 x)
was er geen voe-voe-voedsel meer aan boord, (2 x)
Dat was toch ongehoord!
4. Toen moest men aan het strootje trekken, (2 x)
en wie het kor-kor-kortste eindje trok, (2 x)
die peuzelde men op.
5. Het lot viel op ons kleine ventje, (2 x)
Dat nooit op zee-zee-zee gevaren had, (2 x)
O, wat een pech was dat!
6. Toen viel hij op z'n blote knietjes (2 x)
en bad, o lie-lie-lieve heer (2 x)
O, kom toch, help mij gauw!
7. Toen kwamen er wel duizend visjes (2 x)
Over 't ran-ran-randje van de boot (2 x)
En was het schip uit nood.
1. Onder de groene hemel, in de blauwe zon
speelt het blikken harmonie-orkest
in een grote regenton.
Refrein: Daar trekt over de heuvels en door het grote bos
de lange stoet de bergen in
van het circus Jeroen Bosch.
En we praten en we zingen en we lachen allemaal,
want daar achter de hoge bergen ligt het land ...
van Maas en Waal.
2. Ik loop gearmd met een kater voorop,
daarachter twee konijnen met een trechter op hun kop,
en dan de grote snoeshaan, die legt een glazen ei.
Wanneer je 't schudt, dan sneeuwt het
op de Egmondse abdij.
3. Ik reik een meisje mijn koperen hand,
dan komen er twee moren met hun slepen in de hand,
dan blaast er de fanfare ter ere van de schaar,
die trouwt met de vingerhoed - ze houden van elkaar.
En onder de purperen hemel, in de bruine zon
speelt nog steeds het harmonie-orkest
in een grote regenton.
Refrein: Daar trekt over de heuvels ... enz.
1. Hoe lang moet de mens nog op dwaalwegen gaan
voor hij echt mens heten mag?
Hoe vaak moet de duif nog de wieken uitslaan
voor vrede komt op een dag?
Hoe vaak moeten kogels nog fluiten rondom
voor 't vuren voorgoed wordt gestaakt?
Refrein: Het antwoord, mijn vriend, het zweeft in de wind.
Het antwoord, het zweeft in de wind.
2. Hoe vaak slaat een mens nog de ogen omhoog
voor hij de hemel echt ziet?
Hoe vaak raakt een smartekreet het menselijk oor
voor 't wordt herkend als verdriet?
Hoevelen gaan sterven nog voor wordt beseft,
hoe zinloos men 't leven verliet?
Refrein:
3. Hoe lang kan de berg nog rechtop blijven staan.
De zee spoelt hem uit, maakt hem klein.
Hoe lang moeten mensen gebukt blijven gaan
voor ze echt vrij mogen zijn?
Hoe vaak wordt het hoofd nog bewust afgewend
om niets meer te zien van de pijn?
Refrein:
1. Vroeger werd gezongen en gefloten in de straat
Had de slagersjongen nog een opera paraat
De metselaar kon zingend op de steiger staan
De melkboer lengde fluitend zijn melk een beetje aan
Refrein: Hilversum III bestond nog niet
Maar ieder had zijn eigen stem
Op elke steiger klonk een lied
Van Paljas of Jeruzalem
2. Alle venters hadden eigen aria's:
Voor sprot en haring, voor begonia's
Zelfs in fabrieken kwam van overal
Toch weer een liedje door de grote hal
Refrein:
3. Tussen het geratel van machines door
Klonk in de confectie een mooi meisjeskoor
Dromend van de prins van...weet ik veel
Die ze zou ontvoeren naar zijn luchtkasteel
Hoofd, schouders, knieën, teen
Hoofd, schouders, knieën, teen - knieën, teen (2 x)
oren, ogen, neus en mond,
Hoofd, schouders, knieën, teen - knieën, teen.
Dit lied wordt telkens herhaald, echter bij elke volgende herhaling vervangen wij steeds een lichaamsdeel door geneurie, totdat het hele lied wordt geneuried. Tevens wordt het geheel steeds sneller gezongen en met onze handen wijzen wij de genoemde lichaamsdelen aan.
Hoor je 't zingen van het vuur?
Hoor je 't zingen van het vuur
in 't geheimzinnig avonduur?
't Zijn de vlammen die ons zeggen:
Wees verheugd en toon je vreugd!
1. Hoort, zegt het voort
Dat nu jong Nederland
Niet meer teert op de kracht
van een roemrijk geslacht
Maar aan 't werk gaat met eigen hand
Werk maakt ons sterk
helpt ons in 't leven voort
Wij rusten niet uit
want wij willen vooruit
Daar de toekomst aan ons behoort
Refrein: Naar de duinen, naar de bossen
't Volle leven tegemoet
Want de frissen zin
brengt de buitenlucht erin
En een waakzaam oor
Houdt ons op het rechte spoor
Hij, die eens de vlag wil hijsen
Op het werk van onze tijd
Houde vol zijn keus
Blijve trouw aan onze leus
Wij zijn bereid
2. Luid klink' het uit
Ons blijde levenslied
Want wij zijn ons bewust
Dat er kracht in ons rust
En daarom versagen wij niet
Plicht valt ons licht
Hoe moeilijk die ook zij
Thans gestaald onze kracht
Voor hetgeen ons straks wacht
Onze taak in de maatschappij
Refrein:
Niemand weet waarom de dag weer nacht wordt
niemand weet waarom de zon nog schijnt
niemand weet waarom de kille wind nog waaien zou
maar ik weet dat ik van je hou
Niemand weet waarom er sterren vallen
niemand weet waarom de dood ons volgt
niemand weet waarom er mensen slapen in de kou
maar ik weet dat ik van je hou
Hou me vast, leg m'n hoofd lief op je schouder
hou me vast, streel me zachtjes door m'n haar
hou me vast, soms wordt het allemaal eventjes te veel
en bij jou zijn, is dan alles wat ik wil
Niemand weet waarom geluk soms wegwaait
niemand weet waarom een bloem verwelkt
niemand weet waarom jij de enige bent die ik vertrouw
maar ik weet dat ik van je hou
Hou me vast, leg m'n hoofd lief op je schouder
hou me vast, streel me zachtjes door m'n haar
hou me vast, soms wordt het allemaal eventjes te veel
en bij jou zijn, is dan alles wat ik wil
Vraag me niets, zeg me niets, sla je armen om me heen
praat niet met me, hou me stevig vast
woorden schieten toch tekort, als ik m'n hart bij jou uitstort
praat niet met me, hou me stevig vast
Hou me vast, leg m'n hoofd lief op je schouder
hou me vast, streel me zachtjes door m'n haar
hou me vast, soms wordt het allemaal eventjes te veel
en bij jou zijn, is dan alles wat ik wil