Een aapje wou eens lollig zijn
Een aapje wou eens lollig zijn:
Hij beet in de billen van de kapitein!
De kapitein werd vrees'lijk boos:
Hij stopte de aap in de poeierdoos!
De poeierdoos ging open
En 't aapje kon weer lopen.
En 't aapje wou eens lollig zijn:
Hij beet in de billen van de kapitein!
De kapitein ... enz.
Na enige herhalingen zingt men tot slot:
Wie-de-wie-de-wied, tsieng, boem!
1. In een blauwgeruiten kiel,
draaide hij aan 't grote wiel,
de ganse dag!
maar Michieltjes jongenshart,
leed ondraaglijke smart
A-ach, A-ach,A-ach, A-ach!
2. Als matroosje vlug en net,
heeft hij voet aan boord gezet.
Dat hoorde zo!
Naar Oostinje, naar de West
Jongens, dat gaat opperbest!
Hojo, hojo, hojo, hojo!
3. Daar staat Hollands Admiraal,
nu een man van vuur en staal,
De schrik der zee!
't Is een ruiter naar de aard
Glorierijk zit hij te paard
1.Als je vrouw je heeft verlaten, waar jij zoveel van houdt
en vrienden je gaan haten om een kleine fout
dan wil je soms heel even je eigen laten gaan
je ogen worden vochtig en je voelt opeens een traan
Refrein: Maar een man mag niet huilen, ook al heeft hij verdriet
Nee, een man mag niet huilen als een ander het ziet
Hij moet alles vergeten en zich nooit laten gaan
Nee, een man mag niet huilen, zelfs geen enkele traan
2. Je hebt jarenlang verkering met een meisje uit je straat
en je bent van haar gaan houden maar het is te laat
ze heeft opeens een ander en ze kijkt je niet meer aan
dan wordt het je te machtig en je voelt opeens een traan
Refrein:
3. Het dierbaarst op de wereld wat je ooit bezat
dat is toch wel je moeder die je 't meest aanbad
opeens krijg je te horen dat zij is heengegaan
dan wordt het je teveel en je voelt opeens een traan
Refrein:
1. Een Nederlandse Amerikaan, )
die zie je al van verre staan. ) bis
Refrein: Van voor naar achter, )
van links naar rechts. ) bis
2. Zijn hemd lijkt wel een prentenboek, )
het hangt een meter uit zijn broek. ) bis
3. Zijn hoofd lijkt wel een varkenskop, )
er zit zowaar geen haar meer op. ) bis
4. Zijn broek, die hangt tot op zijn kuit, )
gestreepte sokken er onderuit. ) bis
5. Zijn buik lijkt wel een luchtballon: )
Ik wou dat ik er in prikken kon. ) bis
6. Maar iemand met een goed verstand, )
die doet zoiets niet in Nederland! ) bis
1. Laatst maakt'ik op de mooie Rijn
een aardig tochtje,
Bij Basel zag ik al meteen
in 't eerste bochtje
de chemische fabrieken daar -
't was indrukwekkend,
hoe al dat afval onverpoosd
in 't water werd geloosd -
En de club hier op de boot
die zong van klein tot groot:
Refrein: Kijk, wat drijft daar in de Rijn, Rijn, Rijn?
Blinkend in de zonneschijn, schijn, schijn.
Jongens, heb ik het nou mis, mis, mis,
nee, 't is, is, is dooie vis, vis, vis!
Door 't vergif zo bont van kleur, kleur, kleur
en met zo'n aparte geur, geur, geur.
Allerlei en allerhand, hand, hand,
komt bij Lobith in ons land!
2. Bij Mannheim lag een Rijnaak stil
die had een lekje
en daardoor kwam in de rivier
een nieuw paars plekje.
Wat later zag ik heel veel schuim
in witte vlokken,
dat dreef aan onze Lorelei
zo prachtig mooi voorbij.
En op de hele schuit
zongen we toen weer uit:
Refrein:
3. Wij dronken er een wijntje op
ja, menig glaasje
en 's avonds lag er op de Rijn
een mooi blauw waasje.
Die flessen gooiden w'overboord
bij Oberhausen,
dat zelf bepaald niet achterbleef
te zien aan wat daar dreef.
En de club op het dek,
die zong bij elke vlek:
Refrein:
1. Er is nog pap, pap, voor ieder nog een hap,
al in de tent, al in de tent (2 x).
Er is nog pap, pap, voor ieder nog een hap
al in de fouragemeesterstent.
Dat wist ik niet en bovendien,
dat kan ik zonder bril niet zien (2 x).
2. Er is nog soep, soep, genoeg voor een hele troep,
al in de tent, enz.
3. Er is nog kaas, kaas, zo oud als Sinterklaas,
al in de tent, enz.
5. Er is nog flens, flens, voor iedereen z'n pens,
al in de tent, enz.
1. Zingend trekken wij nu naar buiten, faria.
Wie niet zingen wil, moet maar fluiten, faria.
Want zo lang je maar vrolijk bent,
ben je rijk, ook al heb je geen cent,
Faria, faria, faria, faria, faria.
2. Heerlijk is het trekkersleven, faria.
Waar wij lopen, is ons om 't even, faria.
Als de dageraad nauw'lijks gloort,
staan we op en de reis gaat voort.
Faria, faria, faria, faria, faria.
3. Nimmer worden we moe te dwalen, faria,
over bergen en door de dalen, faria.
Door de bossen en op de hei,
langs de velden en door de wei.
Faria, faria, faria, faria, faria.
Flai - Flie fla - flieh flai flo - fiste
Cumeladi, cumeladi, cumeladi fiste.
Oh no no no not e fiste.
Ine mine desamine oeha poea demine.
Exomine salomine oeha poea.
Bibibliodedode bobobedidedade wadasididedade. Shi en toe!